WATERGEEST

dagboek van een early vutter


Een reactie plaatsen

Geen blaren dankzij vergeten tip van korporaal

De laatste jaren heb ik steeds meer last van blaren op mijn voeten. Niet altijd natuurlijk, maar wel als ik een paar kilometertjes wandel. Hoeveel talkpoeder ik ook in mijn sokken gooi, het helpt geen zier. Waar de teentjes langs elkaar wrijven, onstaan blaren. Ik zag daarom wel erg op tegen de vele wandelingen die wij deze vakantie zouden gaan maken. Maar tijdens een bedmijmermoment schoot mij ineens een gebeurtenis van lang geleden voor het hoofd. Ik zat als nieuwbakken dienstplichtige mijn legerkistjes te passen, toen de dienstdoende korporaal zei dat je zelfs bij een perfecte pasvorm blaren zou krijgen als je geen ervaren wandelaar was. Hij had echter een tip om de blaren zo veel mogelijk te voorkomen: elke dag de voeten inwrijven met kamferspiritus. En inderdaad, tijdens de leuke wandeltochten met kameraden heb ik slechts één keer één blaar gehad. Ik toog met deze herinnering direct naar de Kruidvaderen. “Neen meneer, daar is tegenwoordig geen vraag meer naar”. De Etos had het gelukkig nog wel, zelfs in twee smaken, nl. met of zonder glycerine. Het resultaat? Heel de vakantie niet ene blaar, terwijl het toch heel pittige wandelingen waren, waarbij teentjes heel veel langs elkaar konden schuiven. Kamferspiritus? Ik zeg: Doen! Maar neem wel die met toegevoegde glycerine.

Advertenties


Een reactie plaatsen

De grillige geheimen van de menselijke geest – Pas Op, Kwabbernoot

Gisteren was ik op familiebezoek. Het was de geboortedag van mijn vader. Zoals vaker bij familiebezoeken of andere samenlopen van mensen kwam het gesprek op sport. Onder andere de Giro kwam voorbij. Uit het niets dacht ik aan het stripboek van Robbedoes en Kwabbernoot “Pas Op, Kwabbernoot”. Daarin zit namelijk een legendarische wielrenscene, waarin Kwabbernoot achteruit van een berg afrijdt. Hoe ik daarop kwam? Eenvoudig omdat ik aan mij vader had gedacht.
Toen ik een jaar of acht was, kende ik nauwelijks strips. Ik bezat een boek van Pinkie Pienter, “de geheimzinnige verdwijning in atoomstad”, dat ik ooit eens bij elkaar gejengeld had op de markt. Verder had ik aan een regenvakantie nog een boek van Fix en Foxy overgehouden. Bij elkaar niet voldoende om van een verlichte jeugd te spreken. Hoewel, ik had al wel een abonnement op de Donald Duck, waar in die tijd nog veel verhalen van grootmeester Barks in stonden. Maar goed, dat was een tijdschrift, geen boek.
Op een dag kwam mijn vader terug van de kapper, die ergens aan de Spuiweg zetelde. Op de terugweg nam hij dan rokertjes mee uit de nabij gevestigde tabakshandel. Daar was zijn oog gevallen op een rek met strips die hij niet kende. Na wat gebladerd te hebben, besloot hij voor mij een boek van Lucky Luke mee te nemen. Een nieuwe wereld ging voor mij open. Net als voor mijn vader trouwens, want hij vond de boeken zelf ook leuk. Een van zijn favorieten was Guus Slim. Luttele kappersbezoeken later bracht hij “Pas Op, Kwabbernoot” mee. Zo maakte ik kennis met een van de grootste tekenaars ooit, Franquin. In mijn geest zijn dat boek en mijn vader kennelijk voor eeuwig met elkaar verbonden.


Een reactie plaatsen

De wederkeer van Beer

Al sinds het overlijden van mijn moeder woont Beer weer bij mij. Zij bleek hem al die tijd in een doosje bewaard te hebben. Ooit was Beer mijn beste vriend. Al kort na mijn geboorte deelde ik lief en leed met hem. Aanvankelijk door op zijn oren te sabbelen, later door hem mijn traumatische ervaringen toe te vertrouwen. En die laatste waren er genoeg. Ik woonde immers in een wederopbouwwijk waar het wemelde van het tuig. Dit ondanks het feit dat normen en waarden er toen nog met de paplepel ingegoten werden door dominee en pastoor. Bij mij klop je dus echt vergeefs aan met verhalen dat de mens zonder religie tot barbarij zal vervallen. Behalve Beer had ik ook nog een totem die ik op een toen nog legale vuilstort had gevonden. Het was een kronkelende hagedis van messing. Dankzij dit magische wezen kon ik mij direct tot God wenden, als ik eens moest bidden dat mijn ouders ’s avonds laat weer heelhuids zouden terugkeren van een van hun spaarzame uitjes. Dat gebeurde gelukkig altijd zodat ik gesterkt werd in mijn idee dat de hagedis geheime krachten had. De buren uit Indonesië hadden er trouwens ook een en die deden volgens mijn moeder veel met stille krachten.
Toen ik op de rand van het verlies van mijn jeugdige onschuld begon te komen, ontdekte ik dat je op die leeftijd niet meer met je beer sliep. Beer ging dus na wederzijds overleg wonen op een plank in de kast, maar niet nadat ik een sjaal voor hem gebreid had. In de loop der tijd is hij kleiner gaan wonen in een schoenendoos, samen met dingen als de vooroorlogse potlodendoos, het horloge van mijn opa en de hagedis. Dat kon allemaal, omdat ik intussen had geleerd dat je met goede scholing dingen kon bereiken, die je niet eens aan God had durven vragen, zoals spoetniks lanceren en koude oorlogen beginnen. Weer later ging ik het huis uit om echt te gaan studeren en bij gezelligheid in bed dacht ik toen aan heel andere dingen. Tijdens een verhuizing van mijn ouders kwam Beer nog wel boven water, maar mijn moeder en ik besloten dat hij op zijn oude dag beter bij hun kon blijven wonen.
Zoals gezegd kwam Beer uiteindelijk toch weer bij mij terug. Hij kreeg een plekje in de boekenkast met uitzicht op de tuin. Vlak naast zijn lievelingsboek “Elberia”, dat gaat over een wereld waarin beren hun Mensen niet vergeten en verwaarlozen als zij volwassen worden. Zijn sjaal heb ik niet meer, maar het huis is nu centraal verwarmd. Dat is maar goed ook, want Beer is een beetje kaal geworden in de loop der jaren. Kennelijk is ie niet helemaal op de berenmanier in elkaar gezet. Wat de vraag bij me oproept of beren in die tijd nog op bon waren vanwege de na-oorlogse schaarste. Ik had tenslotte maar één beer. Mijn zoon had er wel twintig, maar die heeft nooit echt een band opgebouwd met zijn knuffels. Een beetje zoals facebook, dat ik ook nooit gemist heb.


Een reactie plaatsen

Ooit wilde ik een Minolta Dynax 600si Classic

In 1988 kocht ik een nieuwe spiegelreflex, de Minolta Dynax 7000i. Na jaren van ploeteren met handmatig scherpstellen en lichtmeten, bevonden mijn inkomen en mijn temperament zich op het niveau van zo’n krankzinnig dure camera. Ik wilde ook wel eens dat het vanzelf ging, met behoud van kwaliteit natuurlijk. Van deze aanschaf heb ik geen seconde spijt gehad. Of nee, dat is niet helemaal waar. Toen het jaar daarna de 8000i uitkwam, bleek ik die liever gehad te hebben, ook al was hij nog eens 800 guldens duurder. Maar afgezien daarvan was het werken met de Dynax 7000i een genot. In al die 17 jaren dat ik hem gebruikt heb, is het aantal verkeerd belichte opnamen met de vinger van één hand te tellen. Onscherpe opnamen waren er wel meer, maar dat was dan vooral in gevallen waarbij de camera niet wist of ie nou moest scherpstellen op die grashalm op de voorgrond of die blote koe op de achtergrond. Kortom, ik was gewoon gelukkig met mijn camera. Maar toen in 1995 de Minolta Dynax 600si Classic uitkwam, wederom voor een astronomisch bedrag, heb ik tijden slapeloze nachten gehad. Kon ik de aanschaf daarvan wel verantwoorden? Terechte afwegingen achteraf, want terugkijkend kan ik zeggen dat deze camera me in de praktijk geen betere foto’s opgeleverd zou hebben dan de 7000i. Het was echt zo’n gevalletje van “Iedereen wil toch een garagebox”.
Het digitale tijdperk stond te dringen voor de deur, dus de 600si classic was niet lang op de markt. En uit het oog, uit het hart, zodat ik zeker tot 2004 driftig doorgefotografeerd heb met de 7000i. Maar toen ik onlangs de folder van de 600si classic onder ogen kreeg, herkende ik toch wel weer iets van die betovering van toen. Dus besloot ik dat deze folder de 25ste folder in het foldermuseum moest worden. Met als belangrijke overweging dat het ontwerp model heeft gestaan voor vrijwel alle spiegelreflexen die sindsdien verschenen zijn, ook de moderne digitale. Opname van deze folder zie ik daarom als eerbetoon aan het geweldig innoverend vermogen van Minolta, dat natuurlijk gewoon te gronde is gegaan door slecht management. Aan de camera’s heeft het in elk geval niet gelegen.


Een reactie plaatsen

Toen en nu verschilplaatjes | onze vijver tien jaar geleden en nu

Van het vorige bericht kreeg ik de smaak te pakken. Plus dat ik toevallig de foto’s (echte, geen digitale) terugvond van de aanleg van onze vijver. Dat bleek tien jaar geleden in augustus gebeurd te zijn. Ik herinner me nog goed hoe Rita in juli begonnen was met graven onder het motto “als ik niet begin, gebeurt er niets met die vijverplannen”. Maar eerlijk is eerlijk, ik had toen ook een tikkie pijn in de rug, ik kon echt geen spade hanteren. Evengoed heb ik best wel mijn steentje bijgedragen. Zo heb ik toen bijvoorbeeld meteen het worteldoek en de vijverfolie besteld, plus het speciale zand om de contouren van de vijver mee vast te leggen. En ik heb nadat Rita klaar was met graven de structuurelementen neergezet om te voorkomen dat de omgeving onder de vijver zou glijden. Zo staat rond de vijveromtrek een pallissade met planken en grote tegels om te voorkomen dat grond wegglijdt onder de vijver, waardoor de hele boel omhoog zou kunnen komen. Ook de verhoogde plateaus in de vijver zijn met grote tegels van 40×60 cm ondersteund om dezelfde reden. En onder de dijk tussen vijver (vooraan) en moeras (achteraan) staat een houten constructie. Tot nu toe heeft alles zich prima gehouden, er is niks verzakt. Op het vijverrubber zat tien jaar garantie. Theoretisch zou de vijver dus nu moeten gaan lekken.
Op de eerste foto zie je de vijver in september 2002, toen ie net klaar was. Het plankier en het natuursteenpad moesten nog worden afgwerkt. Op de tweede foto zie je hoe alle kale rubber randen geheel overdekt zijn met mos, en natuurlijk ook hoe de vijver is volgegroeid. Het plankier is al helemaal vernieuwd (vorig jaar). En het natuursteempad is vrijwel geheel overwoekerd met Campanula Portenschlagiana en Poschaskyana, plus nog wat verdwaalde soorten die zich in de armoedige, voormalige zeebodem hebben weten te handhaven.